| In de afgelopen jaren is er veel veranderd in de medische
zorg voor patiënten met een acuut hartinfarct. Tot midden jaren zeventig
vorige eeuw was de prognose van patiënten met een acuut hartinfarct nog
zeer matig. Veel patiënten overleden aan de gevolgen van complicaties. De
komst van hartbewakingseenheden zorgde voor een hele verbetering. Hier
worden de patiënten 24 uur per dag bewaakt door speciaal opgeleid
personeel. Begin jaren tachtig werd een volgende stap gezet met de
introductie van stolseloplossende geneesmiddelen (de zogenaamde
thrombolytica). Daarnaast kwamen medicijnen op de markt die de
beschadiging van het hart, als gevolg van het hartinfarct, deels konden
tegengaan (de ACE-remmers en de bètablokkers). Door deze medicijnen wordt
ook de kans op een herhaling van een infarct verkleind. Sinds het begin
van de jaren negentig werd de Dotter procedure (PTCA) gebruikt om het
verstopte bloedvat, dat het hartinfarct veroorzaakt, te openen. Bij het
dotteren wordt het afgesloten bloedvat geopend door hier een ballontje in
op te blazen. Sindsdien worden meer en meer patiënten in de acute fase op
deze manier behandeld. De laatste jaren worden deze procedures meestal
gecombineerd met een stent implantatie. Dit is een metalen veertje dat de
geopende kransslagader openhoudt. Door al deze maatregelen is de prognose
van patiënten sterk verbeterd. Ook is de zorg na ziekenhuisopname
verbeterd door invoering van hartrevalidatie programma's. Verder is het
mogelijk geworden om patiënten, na een groot hartinfarct, te beschermen
voor levensbedreigende hartritmestoornissen door middel van het
implanteren van een inwendige defibrillator. |