De
echolaborante brengt met behulp van de transducer het hart in
beeld
Tijdens een echocardiografisch onderzoek worden plaatjes
van de hartspier en van de hartkleppen gevormd met behulp van
geluidsgolven. De geluidsgolven worden weerkaatst door de wanden en de
kleppen van het hart en worden via de "transducer" omgevormd tot
een (tweedimensionaal bewegend) beeld. Het echocardiogram geeft informatie
over de afmetingen van de verschillende kamers van het hart, de
wandbewegingen, klepbewegingen en over eventuele afwijkingen. Een doppler
meting gebeurt met behulp van dezelfde transducer. De bloedstroomsnelheid
over de verschillende hartkleppen wordt gemeten aan de hand van de
frequentieverschuiving die de teruggekaatste geluidsgolven ondergaan. Deze
verschilfrequentie valt in het hoorbare gebied. Deze geluiden horen er dus
bij. De doppler metingen vinden plaats tijdens het echo onderzoek.
Voor
het onderzoek wordt u gevraagd het bovenlichaam bloot te maken. Er worden
drie ECG elektrodes op de borst geplaatst. U wordt gevraagd om op uw
linkerzij te gaan liggen om het hart beter zichtbaar te maken. Om het hart
in beeld te brengen wordt gel gebruikt, wat koud aanvoelt. De transducer
waarmee het onderzoek uitgevoerd wordt, wordt op verschillende plaatsen op
de borstwand geplaatst om het hart van alle kanten te kunnen bekijken. Het
onderzoek is niet pijnlijk en het enige wat u merkt zijn de trillingen,
die veroorzaakt worden door de transducer. Het onderzoek neemt ongeveer 30
min tot 45 min in beslag.
Een echo
afbeelding met de vier kamers van het hart (RB=rechter boezem, LB=linker
boezem, RK=rechter kamer, LK=linker kamer)